‘Just what is it that makes to-day’s home so different, so appealing?’ vroeg de Britse kunstenaar Richard Hamilton zich in 1956 af en hij gaf deze vraag als titel mee aan een collage die aan de wieg stond van de Pop Art. Diezelfde vraag wordt in dit artikel gesteld ten aanzien van het radicale interieur uit het tijdvak 1961-1972. Daarbij gaat het echter zowel om het wat als om het waarom. Wat bewoog een kleine groep vooruitstrevende interieur- en meubelontwerpers om het roer helemaal om te gooien? Welke gedachten liggen aan hun binnenruimtes en woonobjecten ten grondslag en waarvan zijn deze interieurs en meubelen het zinnebeeld? Welke sfeer of psychologie voor en van het wonen wordt voorgestaan? Zijn er voorbeelden aanwijsbaar in vroegere perioden?
In de jaren zestig brak een aantal meubelontwerpers en interieurarchitecten radicaal met het ruimtelijk heldere doorzonprincipe. De open, overzichtelijke plaatsing van lichte doorzichtige meubelen moest wijken voor het woonlandschap. Tegenover het formele, zakelijke meubel stelden de ontwerpers zitelementen, de leefkuil of fauteuils met omsluitende of moederlijke vormen. Het principe van de kamer als doosvorm verruilden ze voor het stichten van ruimtelijke verwarring. De grenzen van het rechthoekige blok werden verdoezeld met de bedoeling geborgenheid op te roepen, of een spannende ruimteopeenvolging te bewerkstelligen. De enigszins vormelijke en altijd actieve zithouding die het functionalisme als de ideale zag, bleek haar geldigheid verloren te hebben. Het informele, ontspannen ‘hangen’, het half achterover liggen in kussens, op divans of bedden, het wegzinken in leefkuil of het zich als foetus oprollen in kogelvormige fauteuils won terrein. Het leek wel of ontwerpers een nieuwe holenmens wilden creëren.
Het moderne hol was echter vooral gerieflijk en tactiel van een grote zinnelijkheid. Prettig aanvoelende stoffen en langharig tapijt in wilde kleurstellingen werden toegepast. Het interieur en het meubilair werd ruim gestoffeerd, soms bedekte het tapijt geheel, of gedeeltelijk de wand. Niet alleen voelde alles zacht en prettig aan, de geluiden binnen deze ruimte klonken gedempt. De huiskamer leek nog het meest op een warm nest waarin de bewoners zich konden terugtrekken uit en wapenen tegen de harde werkelijkheid buiten. Men zou het ook een gesublimeerde schuilkelder kunnen noemen, een associatie die niet zo vreemd is in het tijdsgewricht van de Koude Oorlog. Schuilkelders ontwerpen behoorde toen serieus tot het takenpakket van architecten.
Toch was dit hierboven geschetste en in wezen atavistische interieur niet gespeend van moderne technologie. Moderne (audiovisuele) apparatuur en massagebruiksgoederen pasten naadloos in de gehele inrichting. De kleuren waren bijpassend actueel en de scherpe randjes waren er soms letterlijk vanaf door de afgeronde vormgeving. Allerlei hoogwaardige kunststoffen werden gebruikt voor zulke voorwerpen, maar tevens voor meubelen, stoffering of natte cellen. Toch werkten ook deze elementen mee aan de beoogde warme sfeer. Bij aanraking voelden de plastics niet koud aan.
Toevluchtsoord of betekenisvolle ruimte?
De vraag komt op waarom mensen in een tijdperk van moderne technologie, atoomwapenwedloop, ruimtevaart en zich voortslepende oorlogen (Vietnam) besluiten om zich in een warm hol terug te trekken. De parallel met het rijke negentiende-eeuwse burgerinterieur dringt zich op. Auteurs als Schivelbusch als Selle hebben in de interieurinrichting van de bemiddelde burgers uit de tweede helft van de negentiende eeuw een afweerreactie gezien tegen de in hoog tempo voortschrijdende industrialisering en vertechnisering van de maatschappij. Deze overvolle, overgestoffeerde eclectische interieurs waarin nauwelijks daglicht doordrong, kunnen als de veilige holen van toen beschouwd worden. Toch is dit maar één kant van de medaille. Het interieur moest evenzeer de welstand van de bewoners uitdrukken en getuigen van hun smaak, die voorzichtigheidshalve aansloot bij wat algemeen erkend werd als de gezaghebbende smaak van adel en hogere burgerij uit vorige eeuwen.
Het razendsnelle tempo van de technische vooruitgang en de hectische spanningen van de Koude Oorlog lijken in het jaren zestig-interieur gesmoord te worden in een weldadig warm bad van gevoel, betekenislagen en ontspannen speelsheid. Het radicale interieur was echter niet alleen bedoeld als een veilige vluchthaven, daarvoor waren de bedachte vormen en kleuren namelijk te schokkend. En daarvoor was de betekenis van de openbare ruimte als toneel van ludieke actie bovendien te belangrijk. Wel nam men stelling tegen de ordelijkheid en rationaliteit van het functionalisme. Emotionele geladenheid en ordeloosheid in de zin van antihiërarchische inrichtingsmodellen werden daarvoor in de plaats gesteld.
Die omslag in het denken komt tot uitdrukking in twee boeken die twintig jaar na elkaar werden gepubliceerd. In 1968 werd het boek Le système des objets gepubliceerd. De auteur ervan is de socioloog en cultuurfilosoof Jean Beaudrillard. Hij legt aan het begin van zijn boek uit dat hij niet alleen de sociale veranderingen die het gevolg zijn van de technische evolutie – zoals Siegfried Giedion in Mechanisation Takes Command in 1948 had gedaan – wil beschrijven, maar juist de mentale structuren wil bestuderen die met het functionele verweven zijn. Het boek gaat vooral over de irrationaliteit van onze behoeften ten aanzien van de ons omringende objecten. Kort gezegd over wat voorwerpen voor ons betekenen en over de betekenissen die wij aan die objecten toekennen. Die verschuiving van het rationeel-objectieve naar het irrationeel-subjectieve mag als een teken des tijds worden opgevat. Giedion was machinebouwkundig ingenieur en kunsthistoricus met een oorzaak-gevolg-trant van denken, waarbij het nuttig effect of de gebruikswaarde van een uitvinding voor de mensheid wordt gewogen. Zowel het boek van Giedion als dat van Baudrillard vat door zijn aanpak de opvattingen van een tijdperk samen. Giedions visie weerspiegelt de jaren 1920 tot en met 1950. Baudrillard spreekt voor het daaropvolgende decennium. Eén voorbeeld met betrekking tot de wooncultuur volstaat om hun verschil in denkwijze aan te tonen.
De stoel is voor Giedion vooral een zitapparaat, een machine die door complexe bewegingsmogelijkheden tegemoet komt aan de mechanisch-statische behoeften van het menselijk lichaam. Of het nu gaat over het zo efficiënt mogelijk uitvoeren van een handeling of over de perfecte rusthouding maakt daarbij niet uit. De stoel wordt opgevat als analoog aan de woonmachine. Baudrillard erkent dat de stoel niet alleen een praktische functie heeft, maar tevens werkt als een vat dat zich vult met betekenissen. Hij onderkent de dubbelzinnigheid van zowel het object als de ambiance waarin het object zich bevindt. In feite werkt de stoel als een vat in een vat (de kamer) in een vat (het huis). Ook de kamer bezit een dubbelzinnigheid en met het huis is het niet anders. De fauteuil, de kamer en het huis zijn dieptepsychologische symbolen van de (baar)moeder. Dit oerbeeld van de schoot als zetel en de moeder(godin) als huis kon gebruikt worden in de aanval tegen het als gevoelsarm en paternalistisch beschouwde functionalisme.
Rebellen met een motief
De generatie ontwerpers die in de jaren zestig van zich deed spreken met radicale opvattingen, was getuige geweest van de veranderingen die zich na de Tweede Wereldoorlog voltrokken. Het vanaf de jaren twintig ontwikkelde gedachtegoed van het functionalisme was na 1945 op grotere schaal voortgezet en verwerkelijkt in de slaapsteden rondom de stadscentra. De ideale interieurinrichting voor deze nieuwbouw bevatte alle elementen die al voor de oorlog in kleine kring waren gerealiseerd. Licht, makkelijk verplaatsbaar of inklapbaar en goed schoon te houden, in serie geproduceerd, betaalbaar meubilair; ruim daglicht- en kunstlicht; praktisch, liefst effen woontextiel in lichte en heldere kleuren; wand- en vloerbedekking van gladde materialen, goede sanitaire en hygiënische voorzieningen, een efficiënte keuken en een economische, logische ruimteopeenvolging waren de belangrijkste ingrediënten van dit recept. Dit klinkt klinisch en dat was het ook. De inspiratiebronnen voor deze doordachte inrichting waren namelijk de fabriek wat betreft de organisatie, het ziekenhuis wat betreft de hygiëne en het laboratorium voor wat betreft het technische, koele uiterlijk. In feite de vormentaal van een mannenwereld, waarin weinig tot geen plaats was ingeruimd voor de meer emotionele aspecten van het wonen. Dit patriarchale en paternalistische aspect kwam ook tot uiting in de smaakopvoeding en de voorgestelde woonmodellen en inrichtingsvoorstellen. Voor deze functionalisten leek een betere wereld nog maakbaar en deze maakbaarheid was gekoppeld aan de technische vooruitgang.
Het paternalisme was ook tussen de regels door sterk aanwezig in het Nederlandse tijdschrift Goed Wonen dat in 1948 door de gelijknamige stichting werd gelanceerd. De inhoud van dit blad is, althans voor de jaren vijftig en begin jaren zestig, te beschouwen als een voortzetting van voor de oorlog gelanceerde denkbeelden en idealen, bijvoorbeeld in De 8 en Opbouw. Het kon niet anders of de geboortegolfgeneratie moest hiertegen op een of andere manier in verzet komen.
Opstandigheid door gevoelshonger
Het lijkt erop dat de puberteit in de twintigste eeuw werd uitgevonden. De psychologie, de pedagogiek en de sociologie stortten zich – in Nederland vooral ná 1950 – op dit fenomeen dat gekenmerkt wordt door een houding van verzet tegen de normen en waarden van de oudergeneratie. Op allerlei culturele terreinen werden rolmodellen geschapen waarmee de jongeren zich konden identificeren. Of het nu Frits van Egters betrof uit De Avonden of James Dean als rebel zonder motief, zij werden afgeschilderd als opstandigen.
Rond 1963-1964 bereikten de geboortegolfjongeren de mondige leeftijd. De welvaart was sterk toegenomen en het sociaal denken over het bestaansminimum had plaats gemaakt voor het genieten van de overvloed der consumptiemaatschappij. De werkende teenagers en twens werden als belangrijke doelgroep erkend. En een hele industrie werd ingezet om aan de vraag naar modieuze kleding en accessoires te kunnen voldoen. De reclame wist op geraffineerde wijze de begeerlijkheid van nieuwe producten onontkoombaar te maken.
De Nederlandse beeldend kunstenaar Constant schreef in 1964: ‘De jonge mensen van deze tijd komen in beweging, gedreven door een niet te onderdrukken neiging. Zij willen hun levens intensiever maken, zij willen het avontuur, dat zij tevergeefs zoeken, provoceren, zij willen het leven bevrijden van de sleur die de arbeid eraan geeft, zij willen het leven tot een spel maken, desnoods met geweld.’ Constant bouwde voort op Huizinga’s thema van de Homo Ludens, maar gaf er een eigen wending aan Hij ervoer dat de provo’s hun ruimere vrije tijd op speelse wijze wilden doorbrengen en hij pleitte voor meer faciliteiten in de openbare ruimte, zonder de frustratie van voortijdige gezagsinmenging. Zijn geschriften en lezingen uit de jaren zestig zijn één pleidooi voor de creatieve inventie en tegen het functionalisme. Constant verwijt de functionalisten dat zij het bestaan van de spelende mens ontkennen. De industrieel ontwerpers verwijt hij dat zij ‘…tegenover de “kitsch” van de massaproductie … de mythe van het “verantwoorde” object [scheppen].’
Het zich openstellen voor kitsch en camp kenmerkte de culturele voorhoede van de jaren vijftig en zestig en was één van de uitingen van verzet tegen het als gevoelsarm beschouwde functionalisme of modernisme. Zelfs in Goed Wonen verscheen in 1965 een artikelenreeks van Cora Nicolai-Chaillet over het verschijnsel kitsch. In ‘Wat is nu eigenlijk kitsch?’ stelt zij: ‘…ons contact met de omringende wereld [wordt] steeds oppervlakkiger. We zijn ontworteld en we weten het niet. We worden hol. Er treden massale hongerverschijnselen op. Gevoelshonger wel te verstaan.’ Kitsch was (en is) een van de remedies tegen deze gevoelshonger, maar ook de radicale ontwerpvoorhoede uit die tijd wilde deze honger stillen.
Antoni Gaudi, Casa Batllo 1906 Barcelona, woonkamer in een van de appartementen.
De wegbereiders
Hoe manifesteerde het stillen van de gevoelshonger zich in de praktijk? Waren er voorboden geweest die het fantasierijke woonlandschap voorbereidden? Architecten-ontwerpers van de Art Nouveau probeerden soms al te ontsnappen aan de rechthoekige kaders van de architectonische binnenruimte. Zij dwongen de ‘schoenendoos’ naar hun persoonlijke vormwil te luisteren. Antoni Gaudi vormde in zijn Casa Batlló (1904-1906) te Barcelona de ruimte om tot een grot of hol door het toepassen van elastisch golvende stucwanden. De Duitse, expressionistische architect Erich Mendelsohn lijkt in zijn fantasievolle schetsen vanaf 1912 allerlei organische structuren weer te geven, die weliswaar niet uitmondden in een concrete bijdrage aan de wooncultuur, maar wel leidden tot het gerealiseerde project van de sterrenwacht Einsteinturm te Potsdam (1920-1924). Dit fallische gebouw toont in zijn als in klei gemodelleerde vormgeving de suggestie van een aaneenschakeling van holtes. Of zoals architectuurhistoricus Bruno Zevi beschrijft: ‘The concrete covering, filled with protuberances and recesses, appears swollen with pressing cavities, and it gesticulates to the surrounding atmosphere.’
Zowel in de beeldende kunsten als in de meubel- en interieurvormgeving is sinds de jaren dertig geregeld gemorreld aan de onaantastbaarheid van de Goede Vorm. De surrealisten bijvoorbeeld wisten een breekijzer te zetten in het nog nauwelijks verkende gebied van het onderbewuste. Het blootleggen van de diepere lagen van de psyche had schokkende kunst tot gevolg. Opvallend is de erotisering van het alledaagse (Meret Oppenheims Fur Cup, 1936) of van het tot cliché geworden klassieke of eigentijdse schoonheidsidool (Salvador Dali, Venus met laatjes en de met rode satijn overtrokken sofa De Lippen van Mae West, beide uit 1936).
In environments gaven surrealisten blijk van een preoccupatie met seksualiteit en droomwerelden. In 1960 stelden de surrealisten een tentoonstelling samen in Parijs, met een aantal achter elkaar geschakelde ruimtes: ‘The first room, which had oval doorways, was lined with pink velvet. The velvet ceiling moved, and recorded sighs and murmurs could be heard. Another room was covered with green padding and there was the suggestion of stalactites and stalacmites. At the end of a narrow corridor lined with black was a black Fetish Chamber. During the opening, Surrealists enacted a homage to de Sade there, using a naked girl as a banquet table.’
De Amerikaanse Fin Eero Saarinen, met wie Charles Eames een tijdlang samenwerkte aan de eerste ‘organische’ meubelen, ontwierp in 1946 zijn Womb chair, een schootzetel die vanaf 1948 door Knoll te New York werd gefabriceerd. Cora Nicolai-Chaillet schreef hierover in 1965: ‘De stoel van Saarinen is … een rechtstreekse belichaming van het zitcomfort van de gebruiker. Een zwevende vorm, los van de aarde, bestemd voor een ruimte, die bewegelijk en stromend overgaat in aangrenzende ruimten. Want hoe kan het anders, ook de ruimteconceptie is dynamisch geworden.’
De hier genoemde meubel- en interieurontwerpen staan in schril contrast met de strakke, koel technische ontwerpen van het functionalisme. Zij vormden daarom voor ontwerpers in de jaren zestig een inspiratiebron en een stimulans om de grenzen nog verder te verleggen.
Allison en Peter Smithson, House of the Future 1956.
Ruimteconcept en zithouding
Het dynamische ruimteconcept werd door het Engelse architectenechtpaar Alison & Peter Smithson voor een Huis van de Toekomst uit 1956 in plan en model uitgewerkt. Zij lijken daarbij voort te bouwen op de elastische wand van Gaudí. De plattegrond van dit project, dat – zonder dak – werd gerealiseerd voor de Daily Mail Ideal Home Exhibition in 1956, toont dat de wanden van de afzonderlijke ruimten zodanig zijn vormgegeven dat de indruk van ‘ruimteperistaltiek’ ontstaat: alsof de bewoner door de golfbeweging der wanden wordt voortgestuwd van het ene vertrek naar het andere. In feite is dit House of the Future een soort ‘dynamisch labyrint’. Het axiaal bepaalde en volgens rationele principes georganiseerde wooninterieur moest hier wijken voor een irrationele ruimtebeleving. Een ander project waarin de suggestie van een verregaand dynamisch ruimteconcept werd gewekt is het Endless House naar een ontwerp uit 1958-1959 van Frederick Kiesler, een Amerikaanse architect, beeldhouwer en theatervormgever van Oostenrijkse origine. Hoewel nooit op ware grootte gerealiseerd werd een betonnen model op schaal in 1960 tentoongesteld in het Museum of Modern Art (MoMA) te New York. Hierin nam hij afstand van de ruimte als rechthoekige doos ‘…and returned to egg shapes, freely modelled from plastic materials and involving a continuously flowing interior space.’ Een andere Amerikaanse architect die nieuwe ruimtevormen zocht, maar zich daarbij liet inspireren door de historische bouwkunst van de Pueblo-indianen, was Paolo Soleri. Hij bouwde halfondergrondse, grotachtige woningen in 1950 en 1961 respectievelijk in Cave Creek en Scottsdale, Arizona.
Niet alleen de vorm van ruimte en stoel, ook de geijkte, dwingende zithouding onderging radicale wijzigingen. Het rechtop zitten werd ingeruild voor het ontspannen hangen. De verticale, hooguit iets achteroverleunende zithouding zagen de ontwerpers graag door het relaxte, min of meer horizontale liggen vervangen. De voorgeschreven, formele en dus ‘autoritair afgedwongen’ zit verruilde men voor het ongedwongen, informele en normloze liggen. Deze vrolijke ordeloosheid klonk eveneens door in interieurbeschrijvingen van bekende Nederlanders uit vooruitstrevende kunstenaarskringen: ‘Bij de dichter en schilder Lucebert kan men geen overgang vinden tussen spel, werkelijkheid en werk. Alle verschijnselen in de werkelijkheid kunnen in zijn visie een plaats krijgen, niets wordt beperkt of definitief vastgelegd. Ook zijn huis is daarom geen kaantje voor een woning purist, want een vaste orde op zaken zal er altijd wel ontbreken. Leefruimte wordt ieder ogenblik werkruimte, speelruimte. Hij, zijn vrouw, zijn kinderen, schilderijen, tekeningen, boeken, de krant, jazzplaten en soms ook een lelijke fauteuil gaan er ontspannen met elkaar om.
Glazenier en wandschilder Johan van den Broek vertelde over de inrichting van zijn woning onder meer: ‘Dat tweepersoons bed heb ik [...] zelf gemaakt. Het is een “openbaar” bed…’s Nachts slapen Joke en ik er natuurlijk in, maar overdag laat iedereen zich er gewoon opploffen. De hond slaapt er ook altijd op. Overdag dan hè…’
Communicatie, lichaamstaal en geërotiseerde ruimte
Communicatie, het jezelf bloot durven geven, werd een nieuwe waarde. De betekenis van het lichaam en haar taal werd herontdekt. Formele omgangsvormen werden afgezworen, onbevangen en speels met elkaar omgaan raakte in. Het eigen lichaam en dat van de ander was niet meer een bron van schaamte, maar iets waaraan je plezier kon en mocht beleven. In die tijd werd de heersende norm ‘geen seks voor het huwelijk’ openlijk bestreden door de jongere generatie, die daarin een handje geholpen werd door de pil, die in Nederland vanaf voorjaar 1963 op doktersrecept verkrijgbaar was. Homoseksualiteit kwam meer in de openbaarheid en verrijkte de mogelijkheden. De mode maakte de nieuwe lichaamsbeleving manifest en stelde onthullen boven verhullen. Een duidelijk teken van deze hernieuwde belangstelling voor het lichaam was de eerste pop met borsten: Barbie. Zij was aanvankelijk een ‘schandaalsucces’, maar wordt nu gezien als een icoon van de jaren zestig. Niet veel later kwam dezelfde firma Mattel met Ken op de markt. Deze boyfriend van Barbie bezat een sculpturale suggestie van zijn mannelijkheid. Een en ander betekende een kleine revolutie, na generaties geslachtloze poppen.
De radicale kunstvorm van de Happening zal veel bijgedragen hebben aan de herwaardering van lichamelijkheid en de doorbraak van libertijnse opvattingen omtrent de lijfelijke omgang met elkaar. Bodypainting was een van de vele manifestaties daarvan, hoewel ook minder onschuldige vormen van lichaamsexpressie werden bedreven, waaronder zelfverminking. In Nederland waren de meeste happenings echter een uiterst ludieke vorm van zelfexpressie.
De ontwerpers van interieurs en meubilair creëerden de ideale speelplaats voor de nieuwe, vrije omgangsvormen. De ligweide, de leefkuil, het woonlandschap waren de benamingen voor de speelse vormassemblages die de plek innamen van het bankstel of de zithoek. Flexibiliteit, dynamiek en openheid in de ruimtelijke ordening, ontspannen achteroverleunen, en wegdromen bij popmuziek, speels beminnen of het laten rondgaan van de juiste stuff stonden de ontwerpers voor ogen toen zij dit nieuwe woonlandschap gestalte gaven. Toch moet hierbij worden opgemerkt dat dit type wonen slechts in kleine kring aansloeg omdat er talrijke praktische bezwaren aan kleefden en voor velen te radicaal was.
Erotisering manifesteerde zich in de welvende vormen en de tactiel aangename, al dan niet harige, oppervlakken; de kleuren hielpen mee een opgewekte tot hallucinerende sfeer te creëren. Op uitvergrote wijze manifesteerde zich dit in de beeldende kunst, vooral in de hortisculptures – uitgevoerd in felgekleurde borg – van de Nederlandse beeldhouwster Ferdi (1927-1969) die tenslotte uitgroeiden tot vormen tussen plant en dier in, waarover de dichter-bioloog Dick Hillenius schreef: ‘…bij de zoöficering van de plantenwereld treden vreemde verschuivingen op: de vrouwelijke stamper wordt een phallus waar men gedrieën tegen kan leunen, een harige vacht en bonte kleuren jagen elke gedachte aan groene kalmte op de vlucht… Een waardig slot van deze periode van Ferdi’s activiteit is de Womb-tomb, een prachtige naam voor een bijzonder nuttig gebruiksvoorwerp. Ik heb het voorrecht gehad even binnen te mogen. Automatisch ligt men in foetushouding, de stomme geluiden van de buitenwereld worden gedempt, een genoeglijke warmte komt uit de vacht. Ik viel prompt in grote rust en begreep de mijnwerkers die in de diepste, warme delen van Moeder Aarde zo gemakkelijk in slaap vallen.’
Archizoom Associati, Superonda 1966.
Italiaanse en Deense baanbrekers
Opvallend is het grote Italiaanse en Deense aandeel in de nieuwe ontwikkelingen. Het Florentijns architectencollectief Archizoom Associati wierp zich op meubel- en interieurdesign omdat het zich niet in dienst wilde stellen van Het Grote Geld (multinationals, staatsbedrijven, enzovoort) en keerde zich daarmee af van de consumptiemaatschappij. Met het zogenaamde antidesign nam de groep stelling tegen tradities, kijk- en woongewoontes en tegen wat zij zagen als het antihumanisme van het verwaterde naoorlogse functionalisme en de Goede Vorm. Hun meubelen bestaan vaak uit losse, schier oneindig combineerbare elementen in onverwachte vormen en materialen. Het door hen ontworpen Superonda flexibele zitsysteem (1966) werd uitgevoerd in met glanzend vinyl bekleed polyurethaanschuim (pur-schuim). Soms kregen hun meubelen, door vorm en decoratie, een grote symbolische lading, waardoor het rituele attributen worden. De overdreven dramatiek maakte wonen tot theater. Hier en daar wordt in hun objecten de draak gestoken met de modernistische vormgeving: in de Atlante vloerlamp (1967) wordt de uit functionalistische ontwerpen overbekende melkglazen bol gedragen door vier stevige cilinders die oprijzen uit een zwart voetstuk waarop een witte bliksemschicht is afgebeeld. De lamp behoudt na uitschakeling van het licht een monumentaal effect. Hier geen bol aan een ijl draadje of op een dunne steel, zodat hij als een hemellichaam in de ruimte lijkt te zweven, maar een met veel moeite overeind gehouden wereldbol.
Ook de Italiaanse ontwerper Joe Colombo schuwde evenals zijn Deense collega Verner Panton het experiment niet. Hun beider houding toont verwantschap met het streven van Archizoom. De door hen ontworpen zitsystemen kunnen op verschillende manieren, door herordening, veranderd worden en doen daarmee een beroep op de creativiteit van de bezitter. Door de glooiende vormen ontstaan letterlijk landschappen, met bergen en dalen. Heel ingenieus waren de ‘woontorens’ (1969) van Panton die ongekende perspectieven openden. Voor de Visiona II tentoonstelling te Keulen in 1970 creëerde hij een ruimte door een aantal in vorm en kleur afwijkende woontorens achter elkaar te plaatsen.
Popcultuur en beeldende kunst als voorbeeld
De populaire cultuur werd een bron van inspiratie voor zowel de beeldende kunsten als het design. Ettore Sottsass jr. publiceerde in het januarinummer van Domus in 1967 zijn ‘Memoires di panna montata’, een visueel dagboek van zijn reis naar Londen. Uit zijn foto’s blijkt een voorkeur voor de grafische vormgeving van de populaire cultuur zoals neonreclames en graffiti, maar ook voor de ex- en interieurs van de modeboetiekjes. Hij zag deze uitingen van de tegencultuur (lees: jeugdcultuur) als de signalen van de tijdgeest van de jaren zestig. Niet alleen deze visuele bronnen werden tot uitgangspunt van nieuwe ideeën genomen. Ook allerlei stromingen in de beeldende kunst leverden eye-openers voor de ontwerpers. De Pop Art, de Op Art, de Hard Edge/Post-painterly abstraction en de Minimal Art voorzagen in nieuwe motieven en kleuren. De prototypen voor kleerkasten van Sottsass uit 1966, uitgevoerd in multiplex en kunststof laminaat, combineren elementen uit de Hard Edge schilderkunst en de Minimal Art-sculpturen. Het meubel werd door Sottsass niet meer aan de kant geplaatst, maar middenin de ruimte als een vrijstaande sculptuur. Voor het oog is het niet meteen duidelijk dat het om een kast gaat.
De zitzak Sacco uit 1968, een vinyl kussenovertrek gevuld met piepschuim (polystyreen) bolletjes geeft een Claes Oldenburg-achtige draai aan meubilair. De verwachting van de kijker met betrekking tot het begrip meubel wordt niet gehonoreerd. Dit is geen stevig gebouwde stoel. Het is in tegendeel vormloos, superlichtgewicht en zelfs als zodanig – in tegenstelling tot de soft sculptures van Oldenburg – onherkenbaar. In andere meubelen wordt de uitvergroting tot reusachtige proporties uit de Pop Art overgenomen, zoals in de lederen sofa Joe. Dit ontwerp van Jonathan De Pas, Donato D’Urbino en Paolo Lomazzi uit 1970 heeft de vorm van een reuzen baseballhandschoen en werd vernoemd naar de legendarische Amerikaanse honkbalspeler Joe DiMaggio. De exploitatie van de popcultuur in de Pop Art bleef niet beperkt tot een enkel aspect van de consumptiemaatschappij, ook de producten van de seksindustrie mochten zich in de warme belangstelling van de kunstenaars/ontwerpers verheugen. Dat leidde soms tot curieuze meubelensembles, zoals dat van de Britse beeldend kunstenaar Allen Jones. Zijn Table, Chair en Hatstand uit 1969 zijn driedimensionale modellen uit fetisjistische prikkellectuur. De vrouw wordt hier letterlijk tot meubelstuk, het meubel tot lustobject gebombardeerd.
Life in plastic, it’s fantastic
Dat een aantal ontwerpers uit de voorhoede bewust koos voor kunststof als materiaal voor hun meubilair is niet zo vreemd. De antidesign-beweging keerde zich tegen de emotieloze moderne apparatenwereld en stelde daar creativiteit en fantasie tegenover. Aan de gangbare meubelmaterialen kleefden voor hen negatieve associaties en waarden. Hout was het standaardmateriaal in de burgerlijke wooncultuur en metaal het voorkeurmateriaal van de functionalisten. De antiburgerlijke houding en het verzet tegen de ‘totalitaire’ technoïde koelheid kon het best vorm krijgen in het nog onbelaste materiaal kunststof. Polyurethaanschuim (pur-schuim) liet zich in allerlei misleidende gedaantes gieten, kon worden gelakt en bleef zijn veerkracht behouden. Enorme zwerfkeien, een bedje kiezels of een Ionisch kapiteel deden plots dienst als zitelement of als verrassende fauteuil, een enorme cactus diende als kapstok of dressboy. Dergelijke fantasieën kwamen voornamelijk uit de Italiaanse hoek, waar de firma Gufram verschillende van deze objecten in productie nam. Deze meubels zijn surrealistisch in hun vervreemdingseffect, maar Pop Art in hun blow-up van een stukje alledaagse werkelijkheid. Het voordeel van pur-schuim is bovendien dat het tot een fractie van zijn volume kan worden samengeperst. Van deze eigenschap maakte de Italiaanse kunstenaar Gaetano Pesce dankbaar gebruik voor zijn UP-serie. De zetels uit die serie werden samengeperst tot 1/10 van hun volume en vacuüm verpakt. Bij verwijdering van de verpakking nam de stoel zijn oorspronkelijke volume weer aan. Sommige stoelen in de serie zijn niet gespeend van erotische connotaties, zoals de UP 5 uit 1969, ook Donna genoemd vanwege de voluptueuze rondingen waar je jezelf tegenaan mag vleien.
Diverse opblaasstructuren zagen het licht, van de overbekende fauteuil in polyvinylchloride (PVC) Blow uit 1967 tot en met hele appartementsinrichtingen of huizen die met behulp van lucht overeind gehouden werden.
Ruimtevaartrage
Naast genoemde kunststromingen vormden ook eigentijdse gebeurtenissen een inspiratiebron van betekenis. De ruimterace tussen de twee grootmachten VS en USSR had niet alleen gevolgen voor de politiek en de kosmologie. In de tweede helft van de jaren vijftig en begin jaren zestig liepen de Russen voorop. De eerste Spoetnik werd in 1957 met succes gelanceerd en kosmonaut Yourri Gagarin maakte in 1961 als eerste mens een baan om de aarde in een ruimteschip. Aan het eind van het decennium hadden de Amerikanen de Russen ingehaald: in 1969 zette astronaut Neil Armstrong als eerste mens een voet op de maan. Een en ander leidde tot een Space Age-gekte die allerlei culturele gelederen trof. De internationale politieke spanningen en de ruimterace werden het onderwerp van films over spionage en ruimtevaart. De James Bondfilms en allerlei sciencefiction-romans verschenen. Roger Vadim regisseerde Barbarella (1967) met Jane Fonda in ruimtefantasie kledij naar ontwerp van de Spaanse modeontwerper Paco Rabanne. Stanley Kubrick was de regisseur van de bij tijd en wijle psychedelische film 2001: A Space Odyssey (1968). De mode van Courrèges en Rabanne parafraseerde de kosmonautenkostuums. En veel meubel- en interieurontwerpers lieten zich door de ruimtevaart inspireren. Een lid van het Engelse architectencollectief Archigram, Warren Chalk formuleerde deze Space Age-geest als volgt: ‘In this second half of the twentieth century, the old idols are crumbling, the old precepts strangely irrelevant, the old dogmas no longer valid. We are in pursuit of an idea, a new vernacular, something to stand alongside the space capsules, computers and throw-away packages of an atomic and electronic age.’ De architecten van Archigram vulden hun als stripverhaal uitgegeven blad met sciencefictionverbeeldingen van de toekomstige stad.
De Globe-stoel uit 1965 van de Finse ontwerper Eero Aarnio paart ruimtevaartrage aan Freudiaanse baarmoedersymboliek. Naast de eerder gesignaleerde tendens van ruimteperistaltiek, was ook de centrale, ronde ruimte geliefd voor het radicale interieur. De bol of het bolsegment, dat Aarnio hier als – voor sommigen van ons zeker claustrofobie uitlokkende – zetel gebruikte, werd door collega-ontwerpers voor de hele woonruimte als ideaal gezien. Zijn landgenoot Matti Suuronen ontwierp in 1968 een ellipsvormig prototype voor een vakantiehuis dat de naam Futuro droeg. Het ziet er uit als een vliegende schotel op poten.
Antipatriarchale ruimteopvatting
Er lijkt een verband te bestaan tussen deze ruimteopvatting van de woning als futuristische hut en de antipatriarchale houding die in radicale ontwerpkring opgang maakte in de jaren zestig., 21 (1969) 4, 8-14. Opvallend genoeg noemt Derks steeds de primitieve hut, waarbij de hut – de oervorm van het huis – dichterbij het beeld van het huis als (baar)moeder staat dan de ons meer bekende ‘schoenendoos’.] In de ontwerppraktijk bedienden velen, zowel in het officiële als in het alternatieve circuit, zich van moderne huttenbouw. Wat zij waardeerden in de primitieve, ronde hut was het onhiërarchische en communale ruimtegebruik en de zinvolle relatie met de openbare ruimte. Het streven in de radicale architectuurgroep rond Aldo van Eyck naar een ‘menselijke en menswaardige architectuur’, was voor een deel geïnspireerd op dorpsgemeenschappen en de bouwkunst van inheemse stammen uit diverse culturen. Van groot belang werd de ‘drempel’ geacht. Deze werd gezien als een ‘zone, een gebied, een rijk tussen binnen en buiten’, waar de ‘ontmoeting tussen ik en buitenwereld, tussen mens en medemens’ kan plaatsvinden.
Ongetwijfeld het meest matriarchale beeld van het samenvallen van huis en moedergodin in de jaren zestig was het collectieve kunstwerk Hon (Zweeds voor ‘zij’). Dit pretpaleis in de vorm van een reusachtige Nana van Niki de Saint Phalle werd in opdracht van Pontus Hulten, directeur van het Moderna Musseet te Stockholm, ontworpen en vervaardigd door De Saint Phalle, Jean Tinguely en Per Olof Ultvedt en hun medewerkers. De bezoekers konden tussen juni en september van 1966 deze moedergodin bezoeken. Zij lag in de hal van het museum en de bezoekers konden via haar vagina haar inwendige betreden.
Mario Bellini, Kar-a-sutra voor de expositie Italy, the New Domestic Landscape 1972.
Van woonlandschap tot ‘plug-in’ netwerklandschap
De Italiaanse inbreng in de schepping van het woonlandschap werd in 1972 in het Museum of Modern Art te New York gepresenteerd op de tentoonstelling: Italy, The New Domestic Landscape. Het was niet alleen een samenvatting van de stand van zaken tot op dat moment, er werd ook aan ontwerpers en collectieven gevraagd om deel te nemen aan een wedstrijd die een toekomstvisie op wonen zou laten zien. Gevraagd werd micro-environments en micro-events te ontwerpen, waaronder werd verstaan het ontwerpen van ruimtes en gebruiksvoorwerpen, die op zich en gezamenlijk het huiselijk leven ondersteunden. Bovendien moesten ruimte en voorwerpen ‘de ceremoniële en rituele patronen demonstreren’ waarvoor zij volgens de ontwerper gebruikt zouden gaan worden. Opvallend veel ontwerpers kozen voor een nomadische of seminomadische woonvorm. De containerwoningen van Marco Zanuso en Richard Sapper en de Kar-a-Sutra van Mario Bellini zijn daar voorbeelden van. Mobiliteit is bij deze ontwerpen uitgangspunt nummer een geweest. De levens- en liefdesmobiel van Bellini wint het in bewegelijkheid van de containerwoningen, die iedere keer versleept en geplaatst moesten worden.
Het meest futuristisch ging de groep Superstudio te werk, die in de beschrijving van haar project een ‘alternatief model voor het leven op aarde’ zei te leveren. Zij voorzag in een energie- en informatienetwerk, dat zich wereldwijd zou uitstrekken tot op ‘elke bewoonbare plek’. Superstudio zag nomadisme als een voortdurende levensvoorwaarde en voorspelde de opheffing van de Arbeid en de Stad. Weliswaar zouden groepen mensen bijeen leven voor onbepaalde periodes, maar dan zonder de driedimensionale structuren die eigen zijn aan de conventionele stad. Een citaat uit hun projectbeschrijving – zij zonden alleen tekeningen met toelichting in – vat de idealen van de Nederlandse kunstenaar Constant en zijn New Babylon project en de verspreiding van diens ideeën in de jaren zestig samen: ‘Free gathering and dispersal, permanent nomadism, the choice of interpersonal relationships beyond any pre-established hierarchy, are characteristics that become increasingly evident in a work-free society.’ Zij zagen een soort plug-in cities voor zich: het raster in het landschap van hun ontwerptekeningen is de symbolische weergave van het energie- en informatienetwerk, waarop men, op ieder willekeurig moment, naar behoefte kan aansluiten. In feite worden hier de eerste schreden gezet op weg naar de verkenning van de cyberspace.
Vergelijkbare toekomstvisioenen hadden Archigram en Archizoom Associati waarvan op de tiende Documenta (1997) projecten uit de jaren zestig te zien waren. Catherine David, de samenstelster van deze Documenta erkende daarmee de actualiteit van dergelijke visies. Voor wat betreft het nomadisch aspect krijgt zij het gelijk aan haar kant als we ons de A-Z Escape Vehicles van de Amerikaanse Andrea Zittel herinneren die als recent werk op dezelfde tentoonstelling getoond werden (op specifieke persoonlijke voorkeuren toegespitste caravans om je mobiel terug te trekken van de veeleisende wereld om je heen). Het thema van de Globalisation dat als een van de rode draden door Davids tentoonstelling liep, kan verbonden worden met de toekomstvisies van de jaren zestig en zeventig.
Ook de campers of caravans van de Nederlandse beeldend kunstenaar Joep van Lieshout sluiten aan bij het eigentijdse nomadisme. Deze woonmobielen bieden de eigenaar bewegingsvrijheid én een ludiek wooninterieur. Waarbij opvalt dat zowel Zittel als Van Lieshout duidelijk in de meer egogerichte opvatting werken die hoort bij de jaren tachtig en negentig, maar onder verwijzingen naar de iconografie van het radicale design. Hun caravans zijn vluchthavens uit de maatschappij, waarbij het gaat om overlevingsstrategie of volledige autarkie.
Modern loungemeubel van PID in Zweden.
Besluit
In het verzet tegen het functionalistische ideaal van de goed gesmeerde woonmachine grepen de radicale ontwerpers in de jaren zestig naar middelen die van het wooninterieur een speelplaats van de vrije communicatie maakten. Niet alleen verlieten zij de axiale bepaaldheid en de logische ruimteorganisatie voor het dynamisch labyrint, zij braken eveneens met voorgeschreven inrichtingsideeën en de actieve zit. De middelen hiertoe werden gekozen uit vroegere en eigentijdse kunstuitingen en soms gemengd met elementen uit de futuristisch ogende ruimtevaartrage. Kunststof werd gezien als dé grondstof voor het nieuwe meubel waaraan geen beladen associaties kleefden. Toch bezitten de radicale interieurs en meubelobjecten een dubbelzinnigheid die het beste als een Januskop omschreven kan worden. Het betreft die merkwaardige terugblik én vooruitblik tegelijkertijd die zich manifesteert. De behoefte aan een ‘warm nest’ was na de onthoudingsperiode van de koele, zakelijke interieurs weer hevig aan bevrediging toe. De aloude metafoor van de warme, beschermende en aangename plek bij uitstek: de baarmoeder, werd op allerlei manieren gevarieerd en zelfs de meest geavanceerde ruimtevaartfauteuil van Aarnio is in feite niet anders dan een uitvergroot en gestileerd ruimtelijk model ervan.
In 1972 werd het begrip woonlandschap geïnstitutionaliseerd door de tentoonstelling Italy, the New Domestic Landscape in het MoMA te New York. Toch luidde deze expositie tevens het einde in van het radicale interieur met de twee gezichten. De voorkeur van de Italiaanse ontwerpers verschoof naar het nieuwe nomadendom of naar, toen nog als toekomstmuziek klinkende, technologisch hoogwaardige infrastructuren in een nieuw-stedelijk landschap. Op beide visies wordt door beeldend kunstenaars en ontwerpers in de jaren negentig teruggegrepen en voortgebouwd.
Er lijkt een samenhang te bestaan tussen een grote sprong vooruit in technologische kennis en mogelijkheden die het gewone verstand te boven gaan, en een toenemende behoefte – als tegenwicht – aan niet-rationele, intuïtieve, mystieke en/of archetypische (denk)beelden. In de jaren zestig vielen beelden van high tech en archetype in een enkel geval zelfs samen. Miljoenen mensen waren via de televisie getuige van de wonderwerken van astronauten in ruimtecapsules. Leken de aan de zwaartekracht onttrokken kosmonauten eigenlijk niet op embryo’s die met ‘navelstrengen’ verbonden zaten aan apparatuur? In een klap was complexe techniek, emotioneel dichtbij.
Aan het eind van de twintigste eeuw is er naast grote aandacht voor de virtual reality en cyberspace tegelijkertijd een hevige belangstelling voor de New Age-beweging ontstaan. Aanhangers van dit gedachtegoed zoeken naar meer inhoudelijkheid in hun bestaan. Het hoogste geluk zou bereikt worden door het met elkaar in evenwicht brengen van het lichamelijke, het geestelijke, het rationele en het emotionele. Een van de manieren om dat te bereiken is bijvoorbeeld het samendringen rondom een Indiaanse sjamaan in een duistere zweettent van dekens over wilgentenen. Het door de sjamaan op een, midden in de tent geplaatste, hoop gloeiende stenen geplengde water, maakt het er tropisch heet. Deze vrijwillige of uit nieuwsgierigheid gekozen terugkeer tot de warme geborgenheid van een symbolische moederschoot schijnt een helende werking te hebben. En daar is het in de boven beschreven gevallen ook steeds om te doen: de mens herstellen in zijn heelheid, zijn compleetheid.
Intussen heeft aan het begin van de eenentwintigste eeuw in de woontijdschriften, op de meubelboulevards en in de horeca het ‘Grote Loungen’ zijn intrede gedaan. Los van de associaties en diepere lagen van het radicale ontwerpen en als modieuze retro zien we luxueuze woonlandschappen met complexe ruimtelijke bankconstellaties, zitelementen en kleurige zitkussens of fatboys aangeprezen om een avondje chillen bij de homecinema tot een aangenaam tijdverdrijf te maken.
André Koch, mei 2011.